Frank Dikötte (2026). Morgenrood boven China. Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen. Vertaling van ‘Red Dawn over China’ door Rob de Ridder. Uitgeverij Spectrum, Amsterdam/Lannoo, Tielt, mei 2026. Hardcover genaaid, 462 pagina’s, kaarten, noten, bibliografie, register. ISBN 978-90-003-9120-2; € 39,99.


Morgenrood boven China. Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen


Dit is het zoveelste boek over China van deze succes-auteur. In de jaren 1981-1989 publiceerde de CCP/Chinese Communistische Partij 300 boeken met partijdocumenten uit de jaren 1923-1949. Hij maakte daar dankbaar gebruik van. En ook van de vijf boeken die tussen 1994 en 2007 in Moskou werden gepubliceerd over de activiteiten van de Komintern in China tijdens het Interbellum.

Morgenrood boven China. Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen

Jef Abbeel


Dikötter toont aan dat de partij vóór 1945 minder dan 2% van de bevolking als lid had (nu is dat 7%) en dat ze leefden van buit en onteigeningen van zowel welgestelde als arme mensen. De overwinning in 1949 schrijft hij toe aan Stalin en zijn miljoen soldaten en aan het uithongeren van steden (p. 23). Wellicht volstaan die twee factoren niet als volledige verklaring.


De 4-Meibeweging van 1919 was een reactie op de verdragshavens (havens die werden opengesteld voor buitenlandse handel) of concessies, die na 1842 aan China opgedrongen waren door Westerse landen en Japan.
In 1921 werd de CCP gesticht, o.a. door Henk Sneevliet. Toen telde ze slechts 53 leden. Mao wordt pas vernoemd bij het congres van 1923, dat gesponsord werd door Moskou, dat ook wapens leverde, een militaire academie oprichtte en veel invloed had. In 1926 stonden er zelfs 691 Russische spionnen en militaire adviseurs geregistreerd bij het Russisch consulaat. En in Moskou werd in 1925 de Sun Yat-sen-universiteit geopend, waar o.a. de zoon van Chiang Kai-shek, Chiang Ching-kuo, van 1925 tot 1937 studeerde en Deng Xiaoping van januari 1926 tot januari 1927.


Vanaf 1926 begonnen Chinese communisten en gewapende bendes zich met geweld en met Russische hulp te verzetten tegen de buitenlandse concessies, hun gebouwen te plunderen en te vermoorden. Maar Chiang beval zijn troepen de buitenlanders en hun bezittingen te verdedigen.


In 1927 begon hij ook zijn strijd tegen de communisten. Hun partij telde toen 12.000 leden, de Nationalistische 350.000. In dat jaar werd ook het Rode Leger opgericht, dat in 2027 een eeuw oud zal zijn.


Van 1927 tot 1931 (en eigenlijk tot 1949) vond de Rode Terreur plaats: overal werden landheren en ’rijke boeren’ gemarteld, vermoord, soms zelfs onthoofd en opengereten voor een publiek van duizenden mensen. Peng Pai, toonaangevend leider van de martel- en moordcampagnes, gebruikte een lijst van 28 categorieën die uitgeroeid moesten worden, van politieke tegenstanders tot zieken, ouderen en prostituees. Beulen en ook de afgevaardigden van de sovjet van Hailufeng kregen van de communisten een quotum hoofden per maand toegewezen en het bevel om de boeren aan te sporen om elk ook minstens tien ‘reactionairen’ te doden. Dikötter beschrijft de vreselijke folteringen die bij duizenden aan het nekschot voorafgingen (p. 116-119). Tegelijk werd het platteland geteisterd door roversbendes en door het communistische schrikbewind. Onder leiding van Mao en Zhu De roofden de communisten de missieposten leeg, ontvoerden ze missionarissen, eisten ze grote sommen losgeld en als ze dat niet kregen, schoten ze hen dood of onthoofdden ze hen (p. 134).


In 1929 trad Stalin met een groot leger op tegen de regering van Beijing, die de Oostelijke Spoorlijn in beslag had genomen. In 1930 schonk hij grote sommen geld aan Mao, die in de Pravda de hemel werd in geprezen.
In 1931-1932 viel Japan binnen in Mantsjoerije, dat bekend stond om zijn vruchtbare grond, steenkool en mineralen. Japan wilde het ook als bufferstaat tegen de SU. Chiangs leger verzette zich vastberaden, maar verloor.
Ook in 1931 riep Mao in Jiangxi de Chinese Sovjetrepubliek uit, op 2% van het grondgebied. De Sovjetrepubliek zorgde voor veel armoede en hongersnood door alle landheren te executeren en in massagraven te dumpen, door alle overschotjes af te pakken van de boeren en door de meeste mannen op te eisen voor hun leger (p. 167-181). De bevolking van de sovjet daalde van 5,6 naar 4,3 miljoen, grotendeels door executies.


De ‘Lange Mars’ of lange vlucht van Zuid-Oost-China naar het westen en dan naar het noorden duurde van 1934 tot 1936. Het Rode Leger leefde van plunderingen. Wie deserteerde, werd doodgeschoten. Onderweg leden ze geregeld een nederlaag. In november 1935 kwam Stalin tussenbeide: hij eiste dat alle troepen een Verenigd Front zouden vormen, ook met Chiang, tegen Japan. In 1936 kocht Chiang 750 gevechtsvliegtuigen voor de oorlog tegen Japan. De auteur zegt niet wie de verkoper was: wellicht Duitsland, dat toen aan China meer verkocht dan Groot-Brittannië.


Stalin steunde Chiang ook in zijn strijd tegen Japan, meer dan Mao, die zijn binnenlandse rivaal als gevaarlijker beschouwde dan de buitenlandse en die met zijn troepen slechts één keer het Japanse leger aanviel, nl. op 25 september 1937. Japan won, maar de communisten saboteerden wel de telefoon- en telegraaflijnen die de Japanners nodig hadden. Op 13 december 1937 slachtten de Japanners in Nanjing ca. 200.000 ongewapende burgers af, één van de ergste oorlogsmisdaden uit de recente geschiedenis. Vrouwen van alle leeftijden werden eerst verkracht en dan gedood. In maart 1938 kon het Chinese leger één keer winnen tegen Japan, maar de Japanse overheersing bleef duren tot 1945.
In september 1937 publiceerde Edgar Snow zijn ‘Red Star over China’, een bijna heiligverklaring van de ‘geniale militaire en politieke strateeg’ en de ‘sober levende revolutionair’ Mao, met minstens één voorspelling die uitkwam: “Hij kan wel eens een heel groot man worden.” (p. 264-265). Het boek werd in twintig talen vertaald! Snow besefte niet dat Mao’s troepen duizenden tegenstanders van het communisme levend begroeven en hele dorpen in brand staken (p. 276-277).


Het ‘Verenigd Front’ van Chiang en Mao tegen Japan was enkel in schijn verenigd en een onderlinge botsing was onvermijdelijk. In 1940 schreven Mao en Chen Boda het pamflet ‘Over nieuwe democratie’. Ze beloofden een meerpartijenstelsel, algemeen stemrecht, democratische vrijheden, bescherming van particulier bezit. Niets daarvan voerden ze uit (p. 288-289).


In 1941 vervingen de Amerikanen de Russen in China: zij moesten hun eigen land verdedigen tegen Hitler. In 1943-1944 lanceerde Mao zijn Rectificatiebeweging: 15.000 mensen werden uitgeschakeld als ‘vijandelijke agenten en spionnen’ (p. 300-303).


In de jaren 1940-1945 werd China ook geteisterd door een erge inflatie: in 1940 kon je met 100 yuan een varken kopen, in 1945 nog een vis. Bovendien bracht Japan valse bankbiljetten in omloop, waardoor de economie verder ondermijnd werd. Roosevelt kreeg foutieve adviezen van Amerikaanse medewerkers, die misleid waren door Mao en Stalin en die Chiang voorstelden als een fascistische dictator en Mao als een democraat (p. 313-315).


Drie dagen na de atoombom op Hiroshima stormden een miljoen Sovjet-soldaten binnen in Mantsjoerije en Korea. Ze plunderden en verkrachtten massaal in Mantsjoerije. Japan gaf zich over, wat zowel Chiang als Mao verraste en voor grote vreugde zorgde in Chongqing, waar Chiang zijn hoofdkwartier had. Stalin adviseerde Mao om overeen te komen met Chiang. Maar die twee hadden mekaar in twintig jaar niet meer ontmoet en wantrouwden elkaar (p. 328-337). De communisten begonnen de treinen te saboteren, dijken op te blazen en andere wandaden te verrichten, waardoor de regering van Chiang het erg moeilijk kreeg en de bevolking er ontevreden over werd. In december 1945 eiste Truman dat Chiang een coalitieregering sloot met de communisten. Maar Mao zette de burgeroorlog verder.


In december 1946 richtten de communisten in Xiwanzi een bloedbad aan: meer dan 1.000 van de 3.000 katholieken werden afgeslacht, de landeigenaars werden vooraf nog gefolterd en de kerken werden in brand gestoken omdat de gelovigen weigerden marxist te worden. Dikötter is de eerste beroeps-historicus die deze massamoord vermeldt. Het dorp kreeg de bijnaam ‘Klein Lidice’, naar het Tsjechische dorp waar in 1942 door de nazi’s 340 inwoners werden uitgemoord (p. 343, 362 en 418).


Ook andere dorpen en steden ondergingen onbeschrijflijke wreedheden. Geregeld werden steden uitgehongerd, met tienduizenden doden en zelfs 160.000 hongerdoden in de stad Changchun. Iedereen at wat er was, van gras en boomschors tot mensenvlees.


In december 1947 telde het leger van Mao 730.000 soldaten en kreeg het grote hoeveelheden wapens van Stalin, terwijl de VS heel karig waren met hun leveringen aan Chiang (p. 347-353).
Vanaf 1948 hadden de communisten de overmacht. Op 23 april 1949 werd Nanjing ingenomen, op 25 mei Sjanghai. De auteur eindigt met de vlucht van Chiang naar Taiwan en de verovering van Tibet in 1950. Hij vertelt niet hoeveel Chinezen met Chiang naar Taiwan vluchtten en ook niet hoe ze daar ontvangen werden.

Beoordeling
Dikötter heeft opnieuw een grondige studie over China afgerond. In China zelf zal ze niet verschijnen. De moordpartijen en de barbaarse martelpraktijken worden telkens aangeklaagd en voorzien van bronvermeldingen in de noten. Het totale aantal doden wordt niet genoemd.


De auteur beweert herhaaldelijk dat de communisten nergens op sympathie konden rekenen, dat iedereen op de vlucht ging, maar dat belet niet dat ze een leger hadden van 730.000 ŕ 1 miljoen soldaten plus 5 miljoen helpers en uiteindelijk de burgeroorlog wonnen (p. 366). De lezer blijft hier op zijn honger. De hulp van Stalin had duidelijker aangetoond mogen worden. Nu lijkt het alsof Mao enkel won door liegen, saboteren, uithongeren en uitmoorden.


Een paar details: ‘hoewel ze konden niet worden ingezien’ (p. 14) is een verkeerde constructie voor: hoewel ze niet konden worden ingezien. ‘Wat moet we’ (p. 102) zou beter zijn: ‘wat moeten we’. ‘Gereorganiseerde’(p. 283) mag worden: ‘reorganiseerde’. ‘De felle vechten’ (p. 310) veranderen we in ‘de felle gevechten’ en ‘Yenan’ (p. 318) in Yan’an.


Het register is bijzonder uitgebreid. Het bevat zowel de personen als de plaatsen. En de kaarten zijn onmisbaar.
Globaal gezien is het een degelijke studie over de geschiedenis van China tussen 1921 en 1949.

© Jef Abbeel, mei 2026 www.jefabbeel.be